Daens niet vatbaar voor partijrecuperatie

Visie van Daens niet vatbaar voor partijrecuperatie

 

Het Vlaams Belang hervalt in de kwalijke gewoonte van het Vlaams Blok om symbolen te recupereren voor eigen partijgewin: 1 mei, strijddag voor arbeidersrechten; de leeuwenvlag als symbool van samenlevingssoevereiniteit; en nu andermaal de historische figuur Priester Adolf Daens.

Op maandag 1 mei organiseert het Vlaams Belang, in navolging van wat eerder het Vlaams Blok ondernam, én met andermaal de nadrukkelijke verwijzing naar de sociale voorvechtersrol van Daens, een partijdag aan het Daensmonument in Aalst.

Het Priester Daensfonds vzw distantieert zich volledig van deze partijpolitieke recuperatie, zowel wat betreft Priester Daens, als 1 mei, als de leeuwenvlag.

Het Priester Daensfonds, dat actief pluralisme vooropstelt, ontstond ruim zestig jaar geleden toen ook het verzuilde inlijven van het gedachtegoed van Daens dreigde.

De grote samenlevingsvisie van Priester Daens is niet vatbaar voor kloofverbredend wij/zij-denken en het stigmatiseren van nieuwe Vlamingen en vluchtelingen.

Daens is van iedereen die zich herkent in zijn aan actualiteit niets ingeboete krachtlijnen van rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, armoedebestrijding en complexloze identiteitsbeleving: één pakket, onverbreekbaar.

De zopas nieuw verkozen raad van bestuur van het Priester Daensfonds, wijst er op dat het dit jaar, 2017, zestig jaar geleden is dat het Daensmonument op het Aalsterse Werfplein ingehuldigd werd in 1957. ,,Dat eerbetoon werd bekostigd door vele giften van 'de kleine man'. Vijftig jaar na zijn overlijden als een pauper, uitgespuwd door het establishment, in het hart gesloten van de Vlaming die niet langer slaaf noch bedelaar wenst te zijn, maar iedereen welvaart gunt, kreeg Daens zijn monument via de collectebus. De samenstelling van het toenmalig erecomité wijst nog altijd aan dat Daens van niemand is, maar wel van iedereen.''

Op Pinksterenzondag 4 juni eerstkomend, tijdens de jaarlijkse Daensdag wordt de betekenis van het monument, symbool van de eerdere en actuele Vlaamse sociale strijd, toegelicht (om 10.45 u.). Om 9.30 u. vangt in de Sint-Martinuskerk de Daensmis aan. De toekomstgerichte huldezitting in de Aalsterse stadsfeestzaal vangt om 11.45 u. aan.

 

 

 

info:  0474 76 55 88

 

 

In Antwerpen, toenmalige handelshart van Europa, had hij zich laten opmerken door kunstzinnige en wetenschappelijke (vooral in het latijn) uitgaven en hiermee bij een kleine groep van intellectuelen, de humanisten, succes geboekt. Op zijn palmares stonden reeds werken van Aeneas Sylvius (paus Pius II), van de ontdekkingsreiziger Christophorus Colombus, van de geboren Aalstenaar en nadien Antwerpse stadssecretaris Cornelius Grapheus (De Schrijver) en in het bijzonder van de bekendste humanist Desiderius Erasmus van Rotterdam. Erasmus werd professor in Leuven wat allicht Dirk Martens deed besluiten om zijn nieuwe atelier in de universiteitsstad uit te bouwen. Het kort nadien opgerichte 3-Talencollege (Latijn, Grieks, Hebreews) bood hem alle mogelijkheden. Hij werd een beroemd en succesvol drukker. De splitsing van de Nederlanden (1585), godsdienst- en Europese oorlogen maakten dat Dirk Martens, het humanisme en de renaissance in de vergeethoek geraakten. Werd zijn grafsteen en praalgraf reeds in 1784 naar een zijkapel van de Sint-Martenskring overgebracht, dan gaf de periode tussen 1845 en 1856, de tijd van de romantiek en het ontstaan van de Belgische geschiedschrijving, de doorslag. De Aalstenaren M. De Gand, F.J. De Smet en A. Van Iseghem s.j. namen de draad terug op om het leven van Dirk Martens en de betekenis van zijn geboortestad terug in het daglicht te plaatsen. Deze laatsten zorgden er voor dat Dirk Martens op 6 juli 1856 zijn standbeeld op de Grote Markt bekwam. De interesse was gewekt. Zo voerden het St.-Jozefscollege, waar de jezuiët Van Iseghem retoricaleraar en studieprefect was,  in 1859 zijn leerlingen onder leiding van zijn primus perpetuus Adolf Daens en in aanwezigheid van pater provinciaal, de grootse rethorique Academie op. De stad Aalst en zijn rederijkerskamers, waarvan de humanisten en renaissanceschilders lid waren, en in het bijzonder Dirk Martens werden er opgehemeld. (1) In 2015 kreeg hij het ereburgerschap van de stad Aalst. In 2016 volgt dan het Dirk Martensjaar.

 

Thomas Morus en Utopia.

 

Waarom Thomas Morus, de Engelse kanselier, onze streken aandeed, vinden we op de eerste bladzijden van Utopia zelf. In 1515 stevende hij per boot naar de Nederlanden, samen met de gezanten van koning Hendrik VIII. Ze moesten samen met de onderhandelaars van keizer Karel V te Brugge een oplossing vinden voor de te vernieuwen handelsverdragen die de betrekkingen regelden tussen de Londense handelaars en deze van Vlaanderen. Tijdens een rustperiode trok Morus naar Antwerpen waar hij Petrus Aegidius (Pieter Gillis) ontmoette.  Aegidus, ook een zeer geleerd man, werkte als jongeman bij Martens als corrector. Hij kon zich opwerken tot stadsgriffier van de handelsmetropool en kende zo van nabij de reeds vermelde stadssecretaris, Cornelius Grapheus. Morus zag verschillende malen Pieter Gillis die hem in contact bracht met Erasmus en Dirk Martens. Diezelfde Petrus Gillis begeleide hem bij zijn bezoek aan de O.L.Vrouwekerk.  Morus kwam er in contact met een vreemdeling en gewezen gezel van de ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci (van de voornaam is het woord Amerika afgeleid). Uit die fantastische verhalen van deze vreemdeling en de discussies errond groeide het verhaal van Utopia, een visie op de ideale wereld. Morus zou dan Dirk Martens gelasten met de eerste druk in 1516. Dat boek kende in die tijd een grote verspreiding maar wellicht waren de kritieken op de vorsten –geëvolueerd naar alleenheersers-, de edelen en zelfs de kerk en de talloze oorlogen er niet vreemd aan, dat Utopia zelfs in de uitgaven van de volkstalen achterwege bleef.

We moeten wachten tot in de negentiende eeuw voordat de socialisten (utopische en volgelingen van Marx) en vrijdenkers opnieuw interesse betonen voor het utopische koninkrijk, waarin de gemeenschap voorrang heeft. Zo vond ik een Nederlandstalige uitgave van 1887, gedrukt bij B. Liebers in ’s Hage (den Haag) terug. Ik som hierbij enkele trekken van de toekomstige maatschappij op. De toekomstige politieke maatschappij steunde op de samenwerking en de invloed van de steden. De landbouw bleef de belangrijkste economische sector en het gebruik van geld moest afgeschaft worden. De jacht was verboden, antimilitarisme primeerde en de oorlog moest op alle mogelijke manieren worden vermeden. Godsdienstvrijheid was een pijler van de maatschappij maar het christendom kreeg voorrang. De priesters hadden de keuze te huwen of celibatair te blijven. En iedereen die gewerkt had tijdens zijn leven had recht op een pensioen.

Maar laten we Thomas Morus zelf aan het woord, die op het einde van zijn boek de vergelijking maakt met zijn eigen maatschappij.  Ik neem tevens de negentiende-eeuwse spelling over.

“Ik heb zoo getrouw mogelijk den vorm beschreven van dien staat, dien ik hou niet alleen voor den besten, maar voor den eenigen, die rechtens aanspraak kan maken op den naam van staat, want overal zorgen zij, die spreken over algemeen belang, voor hem bizonder belang. Daar waar niets in privaatbezit is, behandelt men met ernst de openbare zaak, daar beiden te samenvallen”.

“Is het niet onbillijk en ondankbaar, dat de staat zoveel weggeeft aan hen, die men noemt edelen en juweliers en al dat soort ‘of nietsnutters of arbeiders van weeldeartikelen en daarentegen niet overheeft voor landbouwers, kolenbranders, daglooners, timmerlieden en voerlieden, zonder wie de staat in het geheel niet kan bestaan? Maar hij maakt misbruik van hun jeugd, om er veel werk uit te halen, en als zij oud zijn door jaren of ziekte, dan hebben zij gebrek aan alles en dan denkt hij niet aan de vele nachtwaken, aan de vele bewezen diensten, maar beloont ze ondankbaar door ze te laten sterven in de grootste ellende.  Ja, de rijken halen nog dagelijks iets af van het dagloon der armen, niet alleen door privaatafzetterij, maar ook door de openbare wetten. Wat vroeger onrechtvaardig scheen, namelijk om hen die zich het verdienstelijkst maakten voor de staat zoo slechts te beloonen, dat hebben de rijken tot recht door de wettelijke regeling. Daarom al die staten, die ik nu zien bloeien, als ik erover nadenk, zie ik er niets in –God moge mij liefhebben!- dan een samenzwering der rijken om hun eigen zaken best te behartigen, onder den naam en de vlag van het staatsbelang. Zij zoeken en bedenken dat alle manieren en middelen, waardoor zij die slechtheid kunnen ten uitvoer brengen,  ten eerste om hen te weerhouden van de vrees om onder te gaan en om daarna den arbeid en moeite van de armen voor de  laagstmogelijke prijs te koopen en ze te misbruiken als lastdieren; Waar de rijken  die kunstgrepen ten uitvoer brengen namens de staat, dat is ook namens de armen, daar hebben ze het nu tot wet gemaakt!’… (2)

Zou Thomas Morus vandaag niet schrijven over de groeiende kloof tussen rijk en arm, over de globalisatie, over de geldinhaligheid bij de bankencrisis van 2008, over bonussen of van wetten zoals de notoriële aftrek, excess profit rulings en de fiscale amnestie?

 

Pieter Daens en de biografie van Thomas Morus

 

Op 19 juli 1893, feestdag van het Aalsters begijnhof, loopt bij Pieter Daens het boek ‘Thomas Morus, kanselier van Engeland, van de pers. Dat Pieter Daens met Thomas Morus, een figuur uit één stuk die zijn geweten en christelijke overtuiging volgde, een persoon belicht die hem nauw aan het hart ligt, spreekt voor zichzelf. Morus verkoos liever de dood dan een tweede onwettig huwelijk goed te keuren en zo koning Hendrik VIII als hoofd van de Engelse kerk te erkennen.

Pieter voegt aan zijn biografie nog een lijst toe waarin meer dan honderd priesters en leken worden opgesomd die onder Hendrik VIII werden  terechtgesteld. De sappige volkse taal, eigen aan Pieter Daens, maakt het lezen zeer aangenaam. Toch dragen de verwijzingen naar de tijd en het leven van Pieter Daens zelf eerder mijn aandacht weg. Ze krijgen zelfs een speciale betekenis wanneer we weten dat in april 1893 de Christene Volkspartij werd opgericht en het bestaan ervan zich in juli 1893 begon te verspreiden. (3)

Pieter Daens vergeleek The Tower, de gevangenis waarin Morus vertoefde met “het hol nabij het Forum Romanum waar Sinte Pieter meer dan één jaar had vertoefd, niets hebbende dan een harden steen om op te zitten en te slapen,!”

De beste vriend van Morus heette John Fischer, bisschop van Rochester en kardinaal, tevens kanselier van de universiteit van Cambridge. Om dezelfde reden als Morus werd hij er dood veroordeeld en onthoofd. Die volksvriend vergeleek Daens als den bisschop Lambrecht van zijn tijd. (4) Hiermee verwees Pieter naar zijn Rome-reis in 1888,, onder de leiding van zijn vriend Mgr. Lambrecht. Deze jonge bisschop was sociaal en Vlaamsvoelend maar stierf plotseling na één jaar episcopaat. Pieter Daens zou aan zijn bisschoppelijke vriend een boek wijden. (5)

Elders laat Pieter de geschiedschrijvers uitroepen: “ ’t was overal dezelfden dito: in Holland, in Saksen, in Zweden, Denemarken, in Zwitserland, DE GELDZUCHT, DE GELDZUCHT!... Evenals nu, in ons 19e eeuw, de geldzucht ook niet wil luisteren naar ’t woord van de Paus. (6)

Deze tekst slaat op paus Leo XIII, ‘de Vader der Werklieden’, die op 9 december 1886 Thomas Morus, bisschop Fisher en 52 andere martelaren uit de tijd van Hendrik VIII zalig verklaard. (7) Diezelfde paus die in 1891 de wereldbrief ‘Rerum Novarum’ afkondigt. Met deze wereldbrief in de hand zal Pieter Daens zijn christen-democratie belijden en verdedigen. (8)

In een volgende tekst schrijft Pieter Daens over de hervorming in Engeland. Hij ziet dat als een politieke daad: de goederen van de rijke abdijen moesten ze hebben. ’Reeds was de schobbejak Cromwel aangesteld als algemeenen Directeur der Abdijen; er waren hervormingen te doen, schreef het schandevel, in ’t belang van den Godsdienst! Menschen, zoo spraken de ketters in alle tijden en zoo zien wij de slechte gazetten van Aalst schrijven, nu dat de goddeloosheid losbreekt. Het is de schuld der Priesters, schrijven ze. Neen, maar uw schuld is het, de helsche werking van slechte scholen, slechte gazetten, orgelbals, cafés-chantants, bals-masqués en andere vuilen mikmak.’(9)

Hier beschrijft de katholiek geëngageerde politicus Pieter Daens zijn jarenlange strijd tegen de  liberalen en hun kranten die vóór, tijdens en na de schoolstrijd (1878-1884) het rijksonderwijs blijven verdedigen en financieel steunen. (10)

Diezelfde Pieter Daens, die petities helpt organiseren tegen de uitbreiding van de draaiorgels, ‘overtuigd dat zulke ellendige toestand de rampzaligste gevolgen moet hebben, onder stoffelijk en zedelijk opzicht, ja, een bron zal worden van Socialismus’. Een belangrijke tekst. Niet alleen gaat Pieter hierrond in de clinch met de burgemeester Van Wambeke maar wijst hij hier op de principiële scheiding tussen christen-democraten en goddeloze socialisten. (11)

En Pieter Daens schiet met scherp. Wanneer Morus afscheid neemt van vrouw en kinderen, schrijft hij: ‘Toen op Chipka over veel maanden de  Deurwaarder verscheen, met de wreede citatie der bijtende en koppige Millionairs, voor welke alles zou moeten zwijgen en buigen, toch dat gezegeld papier daar lag met al die wreede dreigementen; 50.000 fr., al de kosten, in 3 gazetten als lasteraar uitgeplakt, of 1 jaar gevang –in den beginne, er was ook angst en schrik, maar later, zullen wij wel een beschrijven, wat ons gerust stelde en bemoedigde…! (12)

Hier treft Pieter Daens de katholieke industriëlen en het kapitaal in het algemeen in het hart. In oktober 1892 haalt hij in ‘De Werkman’ uit tegen de loonsverlaging en verwijt de liberale en katholieke patroons van de F.F.R. dat ze volgens Rerum Novarum zich niet mogen verrijken door de armoede en het gebrek van de noodlijdenden. De onmiddellijk commentaar op die aanklacht is even scherp. ‘De socialisten laten ze gerust. We weten te veel over de armoede (13 u. per dag werken) eb de zedeloosheid’. Pieter Daens wordt vrijgesproken maar de breuk met het katholieke industriële establishment is er. (13)

En dan wordt Pieter Daens nog duidelijker. Na in een passage vermeld te hebben dat de volkeren toen geen kiesrecht hadden en keizer Karel, die Vlaming was, dus rechtzinnig- beschrijft hij in alle toonaarden hoe Thomas Morus zich met kloeke stem kant tegen het huwelijk van Anna Boleyn: ‘Morus hief zijn schoon, heldergemsch hoofd recht en dan, opdagende gelijk de berg Thabor te St.-Antelinckx, en den Koning sterk in d’oogen ziende, met de vroomheid van eenen St.-Laurentius, zo plechtig vereerd ’t Haaltert nabij Kerkxken, waar de herstelde gothieke kerk zo prachtig oprijst… Morus sprekende gelijk de H. Catharina te Steeenhuyze vereerd…’ (14) Voor het eerst licht Pieter Daens volledig de sluier op. Op 18 april 1893, drie dagen na de oprichting van de Christene Volkspartij, wordt het algemeen meervoudig kiesrecht in het parlement goedgekeurd. Een kieshervorming die de christen-democraten kansen biedt. Pieter Daens is klaar. Dat kunnen we volgen in De Vlaamsche Taalgilde, opgericht in 1887 en waarbij Pieter tot de stichters behoort. In 1890 komt een sterke ploeg uit Lede dat genootschap vervoegen. Op 10 januari 1892 versterkt de hele groep Roelanders, die nog maar pas JB Van Langenhaeke als provincieraadslid verkozen, de positie van Pieter Daens in ‘De Vlaamsche Taalgilde’. Ze behoren tot het kanton Ninove en zijn woonachtig in Aspelare, Outer, Denderhoutem en Denderleeuw. In die taalgilde komt het in oktober 1892 tot een machtsstrijd die word gewonnen door Pieter Daens en de Roelanders.

Naast Vlaamsgezinden komen nu ook sociale sprekers aan bod. Ook in de ‘Katholieke Werkmanskring’ boekt Daens met een groep katholieke arbeiders als volgelingen succes. Zezijn in verbinding met katholieke arbeiders die lid zijn van de vakbond van A. Verhaegen en Vlaamse burgers-journalisten uit Gent. Zoals in Gent streven ze naar een katholieke vakbond, los van de katholieke partij.  De acties van de Aalsterse arbeiders, in het bijzonder in de ‘Belgische Volksbond’, verschijnen in  het dagblad ‘Het Volk’. Dat zelfstandig optreden van Pieter Daens en zijn volgelingen rond de encycliek ‘Rerum Novarum’ verontrust Leo De Bethune en Woeste, die zelfs naar het Vaticaan trekt om persoonlijk de sociale gedragslijn uit de mond van de paus te vernemen. Met de vermelding van Heldergem, Haaltert, Kerksken, St-Antelincks en Steenhuize positioneert Daens zijn partij verder. Die gemeenten zijn gelegen tussen de streek van Ninove (De Roelanders) en de as Herzele-Zottegem. Daar zijn de oude liberaal-katholieke families politiek bedrijvig.  Onder hen de bevriende families Van der Haegen, De Beer, Van den Bossche, de Clippele die samen met vrienden-priesters het blad ‘Het Land van Aelst’ gestalte hebben gegeven. Van dat blad is Pieter Daens nu hoofdredacteur en medeeigenaar. Zo vormt de biografie van Thomas Morus een verdere aanzet om de ‘Christene Volkspartij’ uit te breiden. Een verdere aanzet die de Kerk en de katholieke gemeenschap niet op stang mag jagen. Integendeel. Hij moet ze winnen met een blijvend beroep op de encycliek ‘Rerum Novarum’. Daarbij bewijst dit boek over Thomas Morus nogmaals mijn stelling dat bij de aanloop tot en de aanvang van de Daensistische partij Pieter Daens de spilfiguur is. (15)

 

Hendrik Strypens